Keynote Opening Academisch Jaar

Op 31 augustus was ik uitgenodigd door de Universiteit voor Humanistiek om een keynote te verzorgen tijdens de opening van het academisch jaar in de Leeuwenbergh in Utrecht. Het thema van de opening was “Vrij Denken.” De volledige tekst van de keynote staat in deze blog, inclusief een aantal referenties (onderaan de pagina).

DENKEN ZONDER OOGKLEPPEN

“Denken leidt niet tot kennis, in tegenstelling tot de wetenschappen.
Denken levert geen bruikbare levenswijsheid op.
Denken lost de raadsels van de wereld niet op.
Denken verleent niet onmiddellijk de macht om te handelen.” [1]

            Met deze quote van Martin Heidegger begint Hannah Arendt haar verhandeling over denken, het eerste deel van de onvoltooide trilogie Het leven van de geest. De quote slaat de piketpaaltjes van haar definitie van denken stevig in de grond: denken doe je niet omdat het iets oplevert. Het denken zélf heeft waarde.

            Bij Arendt is het denken niet op een resultaat gericht, maar op zichzelf. Er wordt dus geen resultaat verwacht van het denken. Wat Arendt betreft staat dit denken in scherp contrast tot wat wetenschappers doen: “Zonder twijfel speelt het denken een enorm grote rol in elke wetenschappelijke onderneming, maar het is de rol van een middel voor een doel”[2]. Het denken is bij Arendt juist niet resultaatgericht, maar een innerlijke dialoog, een zoektocht naar zin en betekenis. Voor wie visueel is ingesteld: van Arendt mogen we denken aan Penelope in Homerus’ Odyssee (of die van Christopher Nolan), die elke avond weer ontrafelt wat ze overdag heeft geweven. Dat is haar metafoor voor denken: degene die denkt moet steeds bereid zijn om opnieuw te beginnen.

            Staat op de Nederlandse universiteiten het denken, of zelfs het vrije denken, centraal? Het antwoord op een vraag over zo’n grote populatie is waarschijnlijk zowel nee als ja. Uiteraard zijn er plekken binnen universiteiten waar van gedachten wordt gewisseld over de grote levensvragen door docenten, onderzoekers en studenten, en waar elke dag of elk jaar opnieuw het weefgetouw ontrafeld wordt! Wel is mijn indruk dat resultaten een zeer grote rol spelen op onze Nederlandse universiteiten: tentamencijfers, afdelingsbudgetten, NSE-scores, essaybeoordelingen, studentenaantallen, promovendidoelstellingen, visitatieresultaten, ranglijsten, publicaties, citaties – het is niet moeilijk om een lijst te maken van resultaten van het werk van studenten, academici en universiteiten. Zetten we die resultaten niet teveel op een voetstuk?

            Die focus op resultaten is overigens niet nieuw, ze kan onder andere worden herleid naar de resultaatgerichtheid en de obsessie met meetbare resultaten van de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw. Internationaal gebeurde dit onder de noemer van New Public Management.[3] De oplossing voor de trage, bureaucratische en weinig vernieuwende publieke sector moest gezocht worden in het organiseren ervan als een bedrijf. In bedrijven had je tenminste harde doelstellingen en resultaten die moesten worden behaald. En een meer efficiënte besteding van middelen zou ook nog eens voor een fikse verbetering van de kwaliteit kunnen zorgen, zo was de gedachte.[4]

            Met mijn economische achtergrond zal ik uiteraard het belang van financieel gezonde instellingen en een efficiënte besteding van publieke middelen toejuichen. Cijfers kunnen helpen bij het goed organiseren van processen, kunnen duidelijkheid geven en helpen vergelijkingen te maken. Maar er schuilt ook een groot gevaar in de gerichtheid op meetbare resultaten. Te veel nadruk op het meetbare kan bijvoorbeeld samengaan met het negeren van het onmeetbare. Als onze oogkleppen op de resultaten zijn gericht ontneemt ons dat het zicht op andere zaken. Ook kan resultaatgerichtheid leiden tot een versmalling van de eigen taakopvattingen: wat mag van je worden verwacht? We moeten oppassen dat we vrij denken, collegialiteit en medemenselijkheid niet offeren op het altaar van de resultaatgerichtheid. In De Meetmaatschappij noem ik zo’n doorgeslagen gerichtheid op resultaten en indicators terwijl de oorspronkelijke doelen uit het oog worden verloren ook wel “indicatorisme.” [5] En daar moeten we dus voor waken, vooral op universiteiten.

            Wat er met de komst van generatieve AI is veranderd, is dat in een handomdraai “resultaten” kunnen worden geproduceerd. Klassieke resultaten waar de universiteit zich op richtte, inclusief essays, maar ook academische artikelen, data, analyses en zelfs citaties worden door grote taalmodellen in onmenselijk tempo gefabriceerd.[6] De komst van generatieve AI is misschien juist zo’n uitdaging en probleem voor universiteiten, omdat we ons zo zijn gaan richten op resultaten, terwijl het proces – het denken, verkennen, onderzoeken, reflecteren – verder naar de achtergrond is gedrukt.

            In het bekende verslag over het proces tegen de oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann stelt Arendt nog iets anders belangrijks over denken. In haar analyse stelt ze dat het met name de afwezigheid van denken is die een belangrijke veroorzaker is van het kwaad in de wereld. Haar analyse is wat mij betreft vandaag relevanter dan ooit. De eerste robuuste wetenschappelijke studies over de impact van generatieve AI op gedachteloosheid moeten nog worden gepubliceerd, maar de meer anekdotische bewijsstukken zijn neem ik aan ook al bij u aangekomen. Hoewel ik zeker niet wil claimen een oplossing te hebben voor alle uitdagingen, denk ik wel dat een nieuwe gerichtheid op inzet en het bijbehorende denk- en leerproces in plaats van op de resultaten een begin kan zijn van een antwoord. Minder gerichtheid op het resultaat, meer op het denk- en leerproces en op elkaar. Van mens tot mens.

            Met tien jonge academici van de Amsterdamse universiteiten publiceerden we dit jaar Fixing Academia.[7] In deze bundel bespreken we niet alleen wat er goed gaat aan de Nederlandse universiteiten, maar schetsen we ook wat er beter kan en moet, bijvoorbeeld in hoe universiteiten een plek kunnen zijn waar iedereen gelijke kansen krijgt. Yusuf Çelik bespreekt bijvoorbeeld dat eerstegeneratiestudenten nog steeds tegen allerhande hobbels aanlopen in de universitaire wereld. Er bestaan nog steeds drempels voor iemand zonder ouders met een academische opleiding die zorgen voor ongelijkheid die nog lang in een al dan niet academische carrière kan doorwerken. Callista Mulder richt zich op uitdagingen voor academici die ook ouders zijn. Bijna de helft van de vrouwelijke academici stopt na de geboorte van een kind met een voltijdaanstelling aan een universiteit, tegenover 24% van de nieuwe vaders. Het lijkt erop dat je net een beetje minder “vrij” kan zijn als je eerstegeneratiestudent bent, of een jonge moeder op een universiteit.

            Ook spreekt Evgenia Lysova in de bundel over het burnoutgevaar voor academici. Een recent rapport gaf aan dat voor 74% van de Nederlandse academici de ervaring van hoge werkdruk leidt tot stress. Vandaag lijkt iedereen er relatief ontspannen bij te zitten, maar morgen, als de colleges weer beginnen en er resultaten moeten worden geboekt, kan dat maar zo weer anders zijn. Als ik nadenk over academici en werkdruk kan ik me ook moeilijk aan de indruk onttrekken dat wij, academici, het onszelf vaak moeilijk maken. We zijn loyaal aan studenten, onderwijsdirecteuren, decanen, redacteuren van tijdschriften, collega’s, co-auteurs, journalisten, promotiestudenten en externe onderzoeksfinanciers. Al deze partijen komen met verzoeken aan ons, en weten vaak niet van elkaars verzoeken aan ons af. En als je niet zo goed bent in “nee” zeggen, extra taken ziet als iets eervols of iets noodzakelijks om promotie te maken, of intrinsiek gemotiveerd bent om er altijd nog een schepje bovenop te doen, creëert dit problemen. Doorwerken in de avonden, weekenden en vakanties lijkt dan de enige manier om aan alle verwachtingen te voldoen. Met alle gevolgen van dien.

            De filosoof Byung-Chul Han maakt in zijn boek De vermoeide samenleving – in het Engels pakkend vertaald als The Burnout Society [8] hierover een scherpe analyse. Hij stelt dat het juist onze grenzeloze vrijheid is die voor problemen kan zorgen als we niet oppassen. Han stelt dat de combinatie van leven in een prestatiemaatschappij en grenzeloze vrijheid ervaren problematisch is. Als je zeer gemotiveerd bent voor je werk, of de resultaatgerichtheid van een academische instelling hebt geïnternaliseerd en je ermee vereenzelvigt, kan dit samen met de vrije ruimte die je ervaart, ertoe leiden dat je jezelf overvraagt. Han stelt dat in dit geval de mens zichzelf reduceert tot een prestatiemachine, die roofdier en prooi in een is. Hij noemt dit “auto-exploitation”, ofwel: zelfuitbuiting.

            Op de Vrije Universiteit in Amsterdam ben ik onder andere betrokken bij het introductievak van een financiële master diemorgen van start gaat. Dit is een masteropleiding voor studenten die later als financieel specialist aan de slag willen gaan bij accountantskantoren, banken en andere organisaties. We zullen onder andere een fragment kijken van een IJslandse bankier die, na de kredietcrisis, achter de tralies belandde. De bankier stelt in het fragment dat hij slechts een radertje was in een groot systeem – en dat hem eigenlijk weinig blaam treft. Hij vindt het nog steeds onterecht dat hij verantwoordelijk wordt gehouden, hij deed immers precies wat zijn leidinggevenden van hem vroegen?! Ik vermoed dat Arendt het woord gedachteloosheid zou hebben gebruikt als ze de videoclip te zien zou krijgen – het tegenovergestelde van denken.

            Het is mijn diepe wens dat studenten en medewerkers aan onze universiteiten komend jaar geholpen worden om kritisch, constructief en vrij te denken en zo tot een beter begrip komen van de wereld en van elkaar. Daarvoor is het nodig dat we denk- en leerprocessen de volle ruimte geven, terwijl we ons ontdoen van resultaatgerichte oogkleppen. Dat laatste brengt overigens nog een belangrijk voordeel met zich mee. Zonder oogkleppen op zien we niet alleen meer van de wereld, maar ook meer van elkaar.


[1] Arendt, H. (2012, p. 29). Denken. Het leven van de geest. Uitgeverij Klement, Zoetermeer. Vertaling door Dirk de Schutter en Remi Peeters.

[2] Arendt, H. (2012, p. 87). Denken. Het leven van de geest. Uitgeverij Klement, Zoetermeer. Vertaling door Dirk de Schutter en Remi Peeters.

[3] Hood, C. (1995). The “new public management” in the 1980s: Variations on a theme. Accounting, Organizations and Society, 20(2–3), 93–109.

[4] Pollitt, C. en Bouckaert, G. (2011). Public Management Reform – A Comparative Analysis (3rd ed.). Oxford University Press, Oxford.

[5] van der Kolk, B. (2021, p. 74). De meetmaatschappij. Business Contact, Amsterdam.

[6] van der Kolk, B. (2025). How Research Credibility Suffers in a Quantified Society. Blog on Social Science Space. Link: https://www.socialsciencespace.com/2025/01/how-research-credibility-suffers-in-a-quantified-society/

[7] Kramer, D. en van der Kolk, B. (2026). Fixing Academia. VU University Press, Amsterdam. Link: www.fixingacademia.com

[8] Han, B.-C. (2015, pp. 10-11). The Burnout Society. Stanford University Press, Stanford.

Leave a comment